Elektrische Installatie vaak oorzaak van brand

Praktische preventietips voor uw elektrische installatie

Voorkomen is beter dan blussen!

Brand kan voor grote problemen zorgen, ook als u goed verzekerd bent. Het voortbestaan van uw bedrijf kan zelfs gevaar lopen, bijvoorbeeld omdat uw klanten dan naar de concurrent gaan. Het is dus belangrijk dat u brand voorkomt. Uw elektrische installatie verdient daarbij uw speciale aandacht, omdat branden vaak worden veroorzaakt door elektrische installaties. Bijvoorbeeld door een slecht ontwerp, verkeerde aanleg of slecht onderhoud. Veel oorzaken liggen echter ook bij de gebruikers en kunnen heel eenvoudig worden voorkomen.

Hoofdoorzaak: slechte aanleg en onderhoud elektrische installatie
Ook als het ontwerp van een elektrische installatie goed is, kan het fout gaan als de installatie niet goed wordt aangelegd. Bovendien kan een installatie na enige tijd gebreken vertonen. Maar liefst 60% van alle branden door elektrische installaties heeft hiermee te maken. Daarom is het belangrijk dat u de installatie periodiek laat onderhouden en inspecteren volgens de eisen van de NEN 3140. Deze norm beschrijft de inspectie en het onderhoud van elektrische installaties, apparaten en toestellen (zoals een koffieapparaat of boormachine). Ook wordt exact beschreven hoe een inspectie moet worden uitgevoerd, zodat materiële schade en letselschade wordt voorkomen.

Tip 1: Schakel een gecertificeerd bedrijf in
De NEN 3140 is een zeer uitgebreide en ingewikkelde norm. Daarom kunt u het beste een gecertificeerd bedrijf inhuren voor de inspectie van uw elektrische installatie. Zo weet u zeker dat alles voldoet aan de NEN 3140.
Ontwerp is ook belangrijk
Ook het ontwerp van uw elektrische installatie is erg belangrijk voor de brandveiligheid. Er gelden dan ook zeer strenge, verplichte veiligheidsbepalingen. Deze zijn opgenomen in de NEN 1010. Deze norm beschrijft beschermingsmaatregelen, de keuze van elektrisch materiaal en de installatie hiervan.

Tip 2: Nieuw bedrijfsgebouw? Laat de elektrische installatie controleren!
Ongeveer 30% van de afwijkingen in gebouweninstallaties is het gevolg van een fout in het ontwerp. Bij de aanschaf of ingebruikname van een bedrijfsgebouw is het dus erg belangrijk dat u laat controleren of de elektrische installatie in orde is en voldoet aan de NEN 1010.
Regelmatige inspectie en onderhoud van de elektrische installaties in een gebouw verkleinen het brandrisico enorm. Maar dat betekent nog niet dat alles veilig is. Veel branden ontstaan namelijk door aangesloten apparaten. Regelmatige inspectie en onderhoud van de aangesloten apparatuur is dus minstens zo belangrijk!
Simpele organisatorische maatregelen
De oorzaak van een brand ligt vaak bij de gebruikers van apparatuur. Brand wordt bijvoorbeeld veroorzaakt door:
• overbelasting van tafelcontactdozen;
• stopcontacten die niet meer in orde of niet geaard zijn;
• blootliggende of beschadigde bedrading;
• gebrekkige verbinding tussen draden (bijvoorbeeld met papiertape of een kroonsteentje);
• niet volledig afgerolde kabelhaspels;
• apparaten die onnodig worden aangelaten;
• brandbare materialen in de buurt van warmtebronnen, zoals lampen en kachels;
• gevaarlijke elektrische apparaten zonder toezicht;
• verouderde en/of sterk vervuilde apparatuur;
• verouderde TL-armaturen.

Simpele maatregelen zijn vaak al genoeg om schade te voorkomen. Vaak is het een kwestie van gezond verstand en kan iedereen inzien dat een situatie brandgevaarlijk is. Helaas ontsnapt het vaak toch aan de aandacht, doordat ondernemers druk zijn met hun dagelijkse werk. Hieronder vindt u vijf tips waarmee u risico’s eenvoudig kunt verkleinen.

Vijf praktische tips
1. Sluit niet te veel apparaten aan op tafelcontactdozen. Zo voorkomt u oververhitting en brand.
2. Instrueer uw medewerkers om computers, monitoren en andere apparatuur aan het einde van de dag volledig uit te schakelen en niet op standby te laten
staan.Ze trekken zo minder stof aan, wat de kans op kortsluiting en brand verkleint.
3. Vervang oude en slechte apparatuur op tijd. Slijtage kan namelijk leiden tot hittewerking of onvolledige kortsluiting, met brand tot gevolg.
4. Bewaar geen brandbare stoffen in de buurt van apparatuur die vonken veroorzaakt of veel warmte ontwikkelt.
5. Let bij het aanschaffen van apparatuur erop of deze voldoet aan de Europese regelgeving. Het CE-keurmerk geeft aan dat het product voldoet aan
wettelijke eisen op het gebied van veiligheid, gezondheid en milieu. U leest er meer over op de website van de Rijksoverheid.

Het kost u weinig tijd om u aan deze tips te houden. Maar het kan enórme problemen voorkomen. Veel succes met ondernemen!

Aansprakelijkheid van werkgevers voor ZZP-ers. Dat is toch verzekerd op mijn bedrijfsaansprakelijkheidsverzekering?

28-11-2018

De aansprakelijkheid van werkgevers voor ZZP-ers

In bepaalde sectoren, zoals bijvoorbeeld de bouw, komt het regelmatig voor dat bedrijven ZZP-ers inschakelen. De naam ZZP wekt de indruk dat we te maken hebben met zelfstandigen die helemaal onafhankelijk van de werkgever/degene die hem inschakelt werkzaam zijn. In bepaalde situaties is degene die hem inschakelt wel degelijk aansprakelijk voor schade die een ZZP-er veroorzaakt en voor schade die een ZZP-er zelf lijdt. Er zijn  dantwee zaken die van belang zijn.

Is de ZZP-er een ondergeschikte?

Allereerst moet gekeken worden naar de verhouding tussen de ZZP-er en degene die hem inschakelt. Centraal staat de vraag of de ZZP-er werkzaam is als ondergeschikte. Een ondergeschikte is iemand die onder leiding en gezag van iemand anders werkzaamheden uitvoert. Als je werkt voor een werkgever die zeggenschap heeft over wat en hoe je moet werken, dan ben je een ondergeschikte. Een ondergeschikte hoeft niet per sé in loondienst werkzaam te zijn. Ook een stagiaire, uitzendkracht of ZZP-er kan een ondergeschikte zijn. Dit is geregeld in de artikel 7: 658 lid 4 BW. Het gaat er om dat iemand anders namens de werkgever leiding aan je werk geeft. Een ZZP-er die geheel zelfstandig werkt en alleen gebonden is aan het contract, is geen ondergeschikte van degene voor wie hij werkt.

Welke werkzaamheden verricht de ZZP-er?

Een tweede criterium is de aard van de werkzaamheden die de ZZP-er verricht. In een recente uitspraak heeft de Hoge Raad aangeven dat de zorgplicht van een werkgever(en dus de daaruit voortvloeiende werkgeversaansprakelijkheid) ook van toepassing kan zijn op ZZP-ers die werkzaamheden verrichten die feitelijk tot de uitvoering van het beroep of het bedrijf van opdrachtgever behoren. Dat is niet beperkt tot de kernactiviteiten, het kan ook gaan om ondersteunende activiteiten (facilitaire activiteiten) die bij de gebruikelijke uitvoering van het beroep of bedrijf horen. Dit moet overigens voor het individuele bedrijf beoordeeld worden, er zijn geen algemene regels op dit punt. Als een ZZP-er werkzaamheden uitvoert die normaal gesproken niet worden uitgevoerd door degene die hem inschakelt, dan is er geen sprake van zorgplicht/werkgeversaansprakelijkheid.

Denk bijvoorbeeld aan een ZZP-er die als hovenier wordt ingehuurd om de tuin van een advocatenkantoor te onderhouden of aan een ZZP-er die als timmerman door een manege wordt ingehuurd om een stal te repareren. Dit zijn werkzaamheden die hoogstwaarschijnlijk niet behoren tot de gebruikelijke bedrijfsuitoefening van het betreffende advocatenkantoor c.q. de betreffende manege. De rechtsverhouding is dan te kwalificeren als een overeenkomst van opdracht. Op die situatie is de (werkgevers)aansprakelijkheid van artikel 7:658 lid 4 niet van toepassing.

In wezen gaat het hier ook (indirect) om het criterium van ondergeschiktheid. Als een ZZP-er werkzaamheden uitvoert die binnen de normale uitvoering van het bedrijf of beroep vallen, dan zal dat altijd gaan onder het gezag van de werkgever.

Dekking op de bedrijfsaansprakelijkheidsverzekering van de werkgever/opdrachtgever

In veel polisvoorwaarden staat  bij de kring van verzekerden aangegeven dat de ondergeschikten meeverzekerd zijn. Als een ZZP-er feitelijk als een ondergeschikte werkt, dan is hij dus automatisch meeverzekerd op de bedrijfsaansprakelijkheidsverzekering van het bedrijf dat hem inschakelt, mits de ZZP-er werkzaamheden verricht binnen de verzekerde hoedanigheid /activiteit die op het polisblad is omschreven.

Een ZZP-er heeft dus dezelfde dekking als een werknemer in loondienst, mits hij aangemerkt kan worden als ondergeschikte. In dat geval is schade  aan derden door een ZZP-er gedekt op de bedrijfsaansprakelijkheidsverzekering.

Schade aan een ondergeschikte ZZP-ers (letsel) die verband houdt met het verrichten van activiteiten voor een opdrachtgever/werkgever  is verzekerd op de bedrijfsaansprakelijkheidsverzekering. In die situatie is er ook sprake van werkgeversaansprakelijkheid. Een ZZP-er die niet als ondergeschikte werkt is een derde in de zin van de polisvoorwaarden. In dat geval is de niet ondergeschikte ZZP-er bij letselschade niet verzekerd op de bedrijfsaansprakelijkheidsverzekering van de opdrahtgever/werkgever.

Dekking op bedrijfsaansprakelijkheidsverzekering van ZZP-er zelf.

Ondergeschikten in loondienst vallen vaak buiten de  verzekering, wat op zich logisch is omdat een ZZP-er geen personeel in loondienst heeft.  Echter ook een ZZP-er kan een andere ZZP-er inschakelen. Als de ingehuurde ZZP-er feitelijk als een ondergeschikte werkt, dan is hij ook een verzekerde in de meeste polisvoorwaarden. En dan is ook de werkgeversaansprakelijkheid van de ZZP-er (schade aan de ZZP-er)die hem inschakelt gedekt.

Maak dus bij het inschakelen van ZZP-ers goede afspraken met elkaar en leg deze vast. Controleer  goed de dekking van je eigen aansprakelijkheidsverzekering mbt het inschakelen van ZZP-ers.

Flexwerkers of tijdelijke krachten in dienst gehad? Controleer dan UWV overzicht van ex-werknemers met ziektewetuitkering

26-07-2013

Heeft u tijdelijke krachten (flexwerknemers) in dienst gehad vanaf 01-01-2010? Controleer dan extra goed het UWV overzicht van ex-werknemers met een ziektewetuitkering 

 

Wat wijzigt er?

Per 1 januari 2013 is de Wet beperking ziekteverzuim en arbeidsongeschiktheid (BeZaVa) ingegaan.  Deze wet staat beter bekend onder de noemer “Modernisering Ziektewet”. Deze wet bestaat uit maatregelen voor flexwerknemers en financiële prikkels voor werkgevers met als doel, een snellere werkhervatting en beperking van de instroom in de Wet Inkomen naar Arbeidsvermogen( WIA). Iedere werkgever krijgt de financiële verantwoordelijkheid voor de uitkeringslast van de Ziektewet en de WGA voor (ex-)werknemers met een tijdelijk dienstverband.

Op dit moment betaalt iedere werkgever een van zijn UWV-sector afhankelijke Ziektewetpremie. En een individuele gedifferentieerde premie voor zijn werknemers die de WGA ingaan (WGA-vast). De premie voor werknemers die ziek uit dienst gaan en in de WGA komen (WGA-flex), is onderdeel van de basispremie WAO/WIA.

Vanaf 1 januari 2014 gaat de werkgever een aparte premie betalen voor de Ziektewet, WGA-vast(vaste werknemers) en WGA-flex(flexwerkers). De wijze van premieberekening is afhankelijk van de hoogte van de loonsom van de werkgever. Kleine werkgevers (tot 10 keer de gemiddelde loonsom) gaan een sectorpremie betalen en grote werkgevers (loonsom > 100 keer gemiddelde loonsom) worden geheel op eigen uitkeringslast beoordeeld. De groep ertussen krijgt te maken met een combinatie uit sectorgemiddelde en eigen uitkeringslast.

In 2016 wordt de premiestelling voor WGA Flex en WGA vast samengevoegd in WGA Totaal. Het is dan ook mogelijk te kiezen voor een publieke verzekering met premiedifferentiatie of uit d epublieke WGA verzekering te treden en eigen risico drager te worden. Het is dan mogelijk een private verzekering af te sluiten.

Waarom wordt er nu opnieuw ingegrepen?

Uit de WIA evaluatie in 2010 bleek dat de maatregelen die in het verleden zijn genomen om de instroom in de WGA te beperken een positief effect hadden op werknemers met een vast dienstverband. Helaas nam de instroom vanuit de Ziektewet door flexwerkers inmiddels zulke vormen aan dat 55% van alle instroom daar vandaan komt. En dat terwijl slechts een zesde van de beroepsbevolking werkt met een flexibel contract en dus in het vangnet terecht kan komen.

Flexwerkers zijn in dit kader uitzendkrachten, werknemers met een tijdelijk contract welke ziek uit dienst gaan, oproepkrachten zonder regelmatige oproep en zieke werklozen. Voor u als werkgever zijn uitzendkrachten alleen van belang als u een uitzendbureau bent. Het uitzendbureau is immers de formele werkgever. Voor alle andere bedrijven zijn de werknemers met een dienstverband voor bepaalde tijd relevant.

De werkgever wordt voor flexwerkers niet geprikkeld om actie te ondernemen als deze met een tijdelijk contract ziek uit dienst gaan. Zowel de Ziektewet als de eventueel daar op volgende WGA uitkering wordt bekostigd uit de sectorpremie. In tegenstelling tot de gedifferentieerde WGA-premie die stijgt of daalt wanneer de instroom in de WGA vanuit vast dienstverband toeneemt of afneemt, merkt de werkgever er nu niets van als hij meer of minder instroom in de Ziektewet of WGA-flex heeft.

Kortgezegd komt het er op neer dat de kans op langdurige arbeidsongeschiktheid in het geval van werknemers met een tijdelijk dienstverband vele malen groter is dan wanneer een medewerker een vast dienstverband heeft. De werkgever draagt hiervoor in beperkte mate financiële verantwoordelijkheid omdat de premie sectoraal wordt bepaald

 

Hoe informeert het UWV u als werkgever?

Het UWV informeert werkgevers over de Ziektewetuitkeringen  en WGA uitkeringen in 2012 met twee aparte brieven. De eerste brief betreft een opgave van (ex) werknemers) die in 2012 een Ziektewetuitkering kregen. Een eerste groep werkgevers heeft deze brief inmiddels ontvangen. De tweede brief betreft een opgave van ex-werknemers die in 2012 een WGA- uitkering kregen. Deze brief wordt op een later tijdstip verstuurd.

 

Wat moet u als werkgever doen met dit overzicht?

In de tot nu toe verzonden overzichten zijn veel fouten geconstateerd. Een voorbeeld hiervan is: Opgave van werknemers die niet bij u als werkgever in dienst zijn geweest. Het is dus erg belangrijk om deze lijsten direct te controleren, omdat u anders een verkeerde premie toegerekend krijgt.

Enkele tips:

  • Binnen vier weken na ontvangst van het overzicht van de Ziektewetuitkeringen die in 2012 door het UWV zijn toegekend aan uw (ex-)werknemers, dient u de bijbehorende beschikkingen op te vragen. Daarvoor kunt u gebruikmaken van de door het UWV geleverde antwoordenvelop.
  • Heeft u de beschikkingen ontvangen? Controleer deze dan samen met een adviseur.
  • Is er reden om bezwaar aan te tekenen? Doe dit binnen zes weken na ontvangst van de beschikkingen.

 

Bijgesloten is een checklist Toekenningen Ziektewet. Deze checklist 26072013Checklist Toekenningen Ziektewet Acture (2) is een handig hulpmiddel bij de controle van overzicht van het UWV.

De gevolgen

Door de invoering van de Wet BeZaVa wordt het voor de werkgever nog belangrijker om regie te hebben op het ziekteverzuim en de WIA-instroom. Wanneer dit er niet is, zullen de kosten voor de werkgever toenemen. Ook voor de groep flexwerkers is een werkgever financieel verantwoordelijk. Voorkomen van verzuim en WIA- instroom wordt nog belangrijker. Het wordt lonend om ook voor flexwerkers re-integratietrajecten te starten

 

U wilt meer informatie of ontvangt uw lijst van het UWV?

Neem dan contact met  op met Hakze Verzekeringen via: 0513 436270 of info@hakzeverzekeringen.nl.

Arbeidsongeschiktheidsverzekering, waar moet je op letten?

Wat is belangrijk bij een arbeidsongeschiktheidsverzekering? We hebben de belangrijkste aandachtspunten op een rij gezet.

 

1.  Verzekerde bedragen
De verzekerde bedragen zijn bedragen die u uitgekeerd krijgt in geval van arbeidsongeschiktheid. Deze bedragen worden vaak onderverdeeld in Rubriek A en Rubriek B.

Rubriek A en Rubriek B

  • Rubriek A is het verzekerd bedrag dat u in het eerste jaar van arbeidsongeschiktheid uitgekeerd krijgt. U hebt de keuze om tot maximaal 80% van uw bruto jaarinkomen te verzekeren.
  • Rubriek B is het verzekerd bedrag dat u in de jaren ná het eerste jaar van arbeidsongeschiktheid krijgt. U hebt de keuze om tot maximaal 80% van uw bruto jaarinkomen te verzekeren.

 

2.  Premies aftrekbaar van de belastingen 
Een arbeidsongeschiktheidsverzekering is volledig van het inkomen aftrekbaar, waardoor de premie netto een stuk lager uitvalt. De premie die u betaalt  is voor rekening van u als privé persoon en moet dan ook verwerkt worden bij de inkomensaangifte en niet bij de winst- en verliesrekening van uw bedrijf. Het aftrekbaar zijn van de premie heeft uiteraard ook tot gevolg dat bij een uitkering inkomstenbelasting betaalt dient te worden. Verzekeraars zijn verplicht dit in te houden van uw uitkering. Dus per saldo ontvangt u een netto bedrag.

 

3.  Sommenverzekering of schadeverzekering

Een AOV-verzekering kan  een sommenverzekering of een schadeverzekering zijn. Een sommenverzekering biedt een aantal voordelen ten opzichte van een schadeverzekering. Dit verschil ligt in de controle van het inkomen en het te verzekeren bedrag. Bij een AOV gebaseerd op een een sommenverzekering zal een verzekeraar géén correctie van de verzekerde bedrag(en) toepassen en/of het inkomen periodiek toetsen.

Correctiebepaling

Correctiebepaling houdt in dat de verzekeraar de verzekerde bedragen zal aanpassen wanneer deze bedragen niet overeenkomen met het opgegeven inkomen wat u bij het afsluiten van de AOV met de verzekeraar hebt afgesproken.

Voorbeeld
U claimt in 2022 op uw AOV welke u in 2009 hebt afgesloten. In 2009 verzekert u € 50.000,- per jaar, maar in het jaar dat u claimt (2022) is het bruto inkomen over de laatste 3 jaar ongeveer € 35.000,-. Uw verzekerde bedragen en ook een eventuele uitkering worden verlaagd naar 80% van € 35.000,-.

De verzekeraar die een sommenverzekering hanteert zal het verzekerd bedrag in dit geval niet negatief corrigeren naar het verdiende inkomen van € 35.000,-. U krijgt uitgekeerd op basis van de in 2009 afgesproken verzekerde bedragen (€ 50.000,-).

Bij een schadeverzekering zal het inkomen wel getoetst worden en indien van toepassing worden gecorrigeerdEen verzekeraar zal een AOV op basis van een schadeverzekering periodiek toetsen op het verdiende bruto inkomen.Vaak dient u periodiek de inkomensgegevens aan te leveren om te bewijzen dat inkomen overeenkomt met het afgesproken verzekerd bedrag. Voorbeeld:
U verdient in 2014 € 50.000,-. Bij inkomenstoetsing in 2016 verdient u € 40.000,-.De verzekerde bedrag(en) worden in dit geval evenredig gecorrigeerd. Als uw verzekerde bedrag(en) in 2014 nog 80% van € 50.000,- was, zullen de verzekerde bedragen in 2016 80% van € 40.000,- worden.

 

4. Vast tarief of leeftijdsafhankelijk tarief

U hebt de keuze uit twee tarieven:

Vast tarief (standaardtarief)
Hierbij betaalt u over de gehele looptijd van de AOV een vaste premie per jaar tot aan de eindleeftijd.

Leeftijdsafhankelijke tarief (combitarief)
U start met een lage premie, die jaarlijks stijgt. Als u een bepaalde leeftijd bereikt, blijft de premie voor de rest van de looptijd gelijk. Dit heet de omslagleeftijd. Een leeftijdsafhankelijke tarief is gunstig voor bijvoorbeeld startende en jonge ondernemers. U hebt een lage initiële premie waardoor u meer financiële ruimte voor uw onderneming heeft in de beginjaren

 

5. Wachttijd(ook wel eigen risicotermijn)

De wachttijd is de periode die u zelf financieel dient te overbruggen alvorens uw verzekering uitkeert. U kunt zelf kiezen hoelang deze wachttijd is. De lengte van de wachttijd is van invloed op de hoogte van de premie. In verzekeringstermen wordt de wachttijd ook wel het eigen risicotermijn genoemd.

U heeft de keuze uit een wachttijd van 14, 30, 60, 90 of 180 dagen. In de regel geldt dat hoe langer de wachttijd is, hoe lager de premie. Het bepalen van de wachttijd is van een aantal factoren afhankelijk. Als u bijvoorbeeld een goedverdienende partner of een spaarpotje heeft, zou u kunnen overwegen een langere wachttijd kiezen. Als u afhankelijk  bent van het inkomen uit uw onderneming is het verstandig om een korte wachttijd te kiezen.

 

6. Eindleeftijd

De eindleeftijd is de leeftijd waarop uw verzekering afloopt. U hebt zelf de keuze om de eindleeftijd zelf te bepalen. Het is verstandig om de eindleeftijd te koppelen  op het moment dat uw AOW of pensioen ontvangt. Alleen wanneer er voldoende financiële middelen zijn is een korte eindleeftijd verstandig. Een korte eindleeftijd scheelt aanzienlijk premie

Bent u geboren na 30 september 1955? Dan is uw exacte AOW-leeftijd nog niet bekend. Maar deze is minimaal 67 jaar en 3 maanden. Controleer dan ook jaarlijks in januari uw eigen  AOW-leeftijd. Zie:https://www.svb.nl/int/nl/aow/wat_is_de_aow/wanneer_aow/

Voor beroepen met een relatief verhoogde kans op arbeidsongeschiktheid kan de verzekeraar een lagere maximum eindleeftijd vaststellen. De gemaximeerde eindleeftijd kan 55 of 60 jaar zijn.  Dit betekent vaak een groot inkomensgat tussen de kortere eindleeftijd van de verzekering en de AOW leeftijd. Hou hier vooraf rekening mee en zorg op de eindleeftijd van de verzekering voor voldoende financiële middelen!

 

7. Beroepsarbeidsongeschiktheid en passende arbeid

Een verzekering kan worden afgesloten op basis van beroepsarbeidsongeschiktheid of passende arbeid. Bij  de beoordeling van arbeidsongeschiktheid zal de verzekeraar één van deze 2 criteria toepassen. Hier dient u een keuze te maken welk criterium u wenst. De keuze is van invloed op de hoogte van de premie.

Beroepsarbeidsongeschiktheid

Een AOV op basis van beroepsarbeidsongeschiktheid houdt in dat u in geval van arbeidsongeschiktheid wordt beoordeeld op basis van uw huidige beroep.           U wordt door de verzekeraar niet verplicht om bijvoorbeeld werkzaamheden op basis van uw opleiding en vroegere werkzaamheden te accepteren.

Let op: In de meeste voorwaarden wordt, ondanks het bovenstaande, wel bedongen dat u passende arbeid binnen de eigen onderneming aanvaardt.

Voorbeeld
U bent adviseur en u raakt arbeidsongeschikt aan uw benen. U kunt niet meer met de auto erop uit, de verzekeraar mag dan wel bepalen dat u administratief werk binnen uw eigen onderneming gaat doen. Het bedrag waarover u inkomensverlies lijdt zal door de verzekeraar uitgekeerd worden.

Passende arbeid

Bij passende arbeid kan de de verzekeraar u verplichten om een vervangende functie buiten uw eigen bedrijf te accepteren in geval van gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid. De bepaling om een andere functie uit te voeren wordt aan de hand van de volgende criteria beoordeeld:

  • Uw krachten en bekwaamheden;
  • Uw opleiding en vroegere werkzaamheden;
  • Kan in redelijkheid van u verlangd worden andere beroepswerkzaamheden uit te voeren.

Voorbeeld
U bent adviseur en u heeft vroeger ervaring opgedaan als administratief medewerker. U raakt arbeidsongeschikt voor 40% en u kunt geen auto meer rijden voor uw werkzaamheden als adviseur. De verzekeraar kan u dan verplicht stellen om bij een kantoor in de buurt administratieve werkzaamheden te gaan uitvoeren. Het bedrag waarover u inkomensverlies lijdt zal door de verzekeraar worden uitgekeerd.

 

8. Jaarlijkse stijging van verzekerde bedragen en uitkering.

Verzekeraars bieden de mogelijkheid om de verzekerde bedragen jaarlijks met een vaste waarde te laten stijgen. Op deze manier houdt u de verzekerde bedragen in lijn met de koopkrachtontwikkeling. U kunt een percentage kiezen waarmee het verzekerde bedrag jaarlijks stijgt. Mocht u arbeidsongeschikt raken dan wordt het verzekerde bedrag een uitkering. U kunt een percentage kiezen waarmee de uitkering jaarlijks stijgt. Sommige verzekeraars bieden de mogelijkheid om het verzekerd bedrag te laten stijgen met de CBS-index (Centraal Bureau van de Statistiek). Hierbij wordt het verzekerd bedrag jaarlijks aangepast volgens het stijgingspercentage van de CBS.U kunt het verzekerd bedrag en uitkering ook laten stijgen met een vast percentage van 2% of 3%.

 

9. Arbeidsongeschiktheidspercentage

Het arbeidsongeschiktheidspercentage is de bepalende factor of u recht hebt op een uitkering. Wanneer u claimt op uw uw verzekering, beoordeelt een medisch adviseur de mate (ofwel percentage) van arbeidsongeschiktheid. U hebt de keuze uit een percentage van 25% (maximale dekking), 45%, 55%, 65% of 80% (minimale dekking). Kiest u een percentage van 25% dan keert de verzekeraar uit wanneer u door de medisch adviseur 25% of meer arbeidsongeschikt wordt verklaard. Kiest u een percentage van 80% dan keert de verzekeraar uit wanneer u door de medisch adviseur 80% of meer arbeidsongeschikt wordt verklaard. Hoe hoger het percentage op de verzekering , hoe lager de premie.

 

10. Tijdelijke uitkeringsduur

Een aantal verzekeraars bieden een verzekering met een tijdelijke uitkeringsduur aan. Dat wil zeggen dat de verzekering voor een korte tijd uitkeert in geval van arbeidsongeschiktheid. Bij de meeste verzekeraars is deze periode voor 5 jaar, maar er bestaan ook varianten waarbij een uitkering van 3 of 10 jaar kan gekozen worden. Het voordeel is terug te vinden in de premie, maar het gevaar schuilt in de korte uitkeringsperiode in geval van arbeidsongeschiktheid.

 

11. Kosten adviseur/bemiddelaar

Iedere adviseur/bemiddelaar zal kosten in rekening brengen voor het advies/bemiddeling en eventueel nazorg/beheer van de verzekering. Informeer van te voren bij uw adviseur/bemiddelaar naar de kosten.

Premiebesparing is eenvoudig te realiseren door een advies/beheer vergoeding af te spreken in plaats van provisie. Veel verzekeringen afgesloten voor 01-01-2013 hebben een premie inclusief provisie. Door provisie uit de premie te halen bespaar je al snel ruim 15%  op je premie.

 

DGA wel of niet recht op werknemersverzekeringen?

X heeft 48% van de aandelen in de BV, zijn dochter 26%. Bij ontslag heeft X recht op een WW-uitkering, omdat hij voor de werknemersverzekeringen niet wordt aangemerkt als ‘DGA’.

Uitspraak Hoge Raad 22 maart 2013, nr. 2012/02909

X is bestuurder van A BV. X houdt 48% van de aandelen, zijn dochter D houdt 26% van de aandelen. Als A BV haar activiteiten staakt, wordt X ontslagen. X vraagt daarom bij het UWV een WW-uitkering aan. Het UWV weigert echter de uitkering. Volgens het UWV moet X worden aangemerkt als ‘DGA’, omdat X en D tezamen meer dan 2/3 van de aandelen bezitten. X heeft daarom, aldus het UWV, geen recht op een WW-uitkering. X betwist dit en wijst daarvoor naar de letterlijke tekst van de ‘Regeling aanwijzing directeur-grootaandeelhouder’. Volgens X tellen zijn aandelen niet mee voor de 2/3 meerderheid.

Na de uitspraken bij de Rechtbank en de Centrale Raad van Beroep, wordt X ook bij de Hoge Raad in het gelijk gesteld. X heeft een arbeidsovereenkomst met zijn BV en is dus ‘werknemer’, ook voor de werknemersverzekeringen. Dit is de hoofdregel. Een uitzondering wordt gemaakt voor de Directeur Groot Aandeelhouder (DGA). In de Regeling wordt limitatief opgesomd wie als DGA is aan te merken. Als laatste wordt genoemd de bestuurder van een vennootschap waarvan ten minste 2/3 van de aandelen worden gehouden door bloed- en aanverwanten tot en met de derde graad. De aandelen van de bestuurder zelf tellen op grond van de tekst van de Regeling niet mee. Dat betekent in dit geval dat X geen DGA is in de zin van de Regeling. X heeft recht op een WW-uitkering.

Wanneer DGA?

De definitie van DGA

Een DGA neemt in het recht een bijzondere positie in. Op grond van het arbeidsrecht heeft een DGA een arbeidsovereenkomst met zijn eigen BV als aan de volgende elementen van de arbeidsovereenkomst is voldaan:

–          De DGA heeft recht op loon;

–          De DGA is verplicht arbeid te verrichten; en

–          Tussen de DGA en ‘zijn’ BV is een gezagsverhouding. Aan dit element wordt geacht te zijn voldaan, omdat formeel de BV als werkgever optreedt en de DGA werknemer is in dienst van de BV.

Voor de werknemersverzekeringen – WW, ZW en WIA – wordt als hoofdregel het arbeidsrecht gevolgd om te bepalen of sprake is van een ‘werknemer’. Een uitzondering wordt gemaakt voor de DGA die zelf zijn ontslag kan bepalen. Anders zou de DGA mogelijk misbruik kunnen maken van de regelingen, bijvoorbeeld door geen premies af te dragen en wel een uitkering aan te vragen.

Om zekerheid te bieden over de vraag of een DGA onder de werknemersverzekeringen valt of niet, is de Regeling aanwijzing directeur-grootaandeelhouder opgesteld. In de Regeling aanwijzing directeur-grootaandeelhouder wordt limitatief opgesomd wanneer een bestuurder is aan te merken als DGA en derhalve niet onder de werknemersverzekeringen valt:

1.       Als de bestuurder, al dan niet samen met zijn echtgenoot, meer dan 50% van het stemrecht heeft in de aandeelhoudersvergadering;

2.       Als de bestuurder, al dan niet samen met zijn echtgenoot, zoveel stemrecht heeft dat op grond van de statuten de overige aandeelhouders niet over zijn ontslag kunnen besluiten;

3.       Als de bestuurders in de aandeelhoudersvergadering een (nagenoeg)  gelijk stemrecht hebben; of

4.       Als de aandelen van de vennootschap voor ten minste 2/3 deel worden gehouden door bloed- en aanverwanten tot en met de derde graad van de bestuurder.

De gevolgen van de uitspraak

In geschil was of X onder de hiervoor als vierde genoemde categorie viel. Volgens het UWV was dit wel de bedoeling van de bepaling. De Hoge Raad vindt echter, dat in dit geval de tekstuele uitleg moet worden gevolgd. En op grond van die tekstuele uitleg moet uitsluitend worden gekeken naar de aandelen die door familieleden van de bestuurder worden gehouden. De aandelen die door de bestuurder zelf worden gehouden, tellen niet mee voor de eis van 2/3 meerderheid.

Een van de redenen voor de Hoge Raad om te kiezen voor de tekstuele uitleg, is dat de gevolgen van de kwalificatie als DGA groot kunnen zijn. Een DGA valt niet onder de werknemersverzekeringen en zal derhalve zelf een regeling moeten treffen om het risico van ziekte, arbeidsongeschiktheid en, zoals in dit geval, werkloosheid te kunnen dragen.

Op grond van de uitspraak is er een categorie bestuurders/aandeelhouders die toch gebruik kan maken van het vangnet van de werknemersverzekeringen. Dit houdt echter niet in, dat deze aandeelhouders ‘dus’ niets hoeven te regelen.

Wordt een werknemer ziek, dan heeft hij op grond van het arbeidsrecht aanspraak op doorbetaling van minimaal 70% van zijn salaris gedurende een periode van twee jaar. Deze bepaling geldt ook voor de DGA, die immers op grond van het arbeidsrecht ‘gewoon’ werknemer is. En deze bepaling geldt voor de bestuurder/aandeelhouder die op grond van de Regeling niet als DGA wordt aangemerkt. Pas na afloop van deze twee jaar, kan de zieke bestuurder/aandeelhouder (en niet de DGA) aanspraak maken op een WIA-uitkering. Recht op een ZW-uitkering heeft de zieke bestuurder/aandeelhouder niet, omdat hij een arbeidsovereenkomst heeft en daarom op grond van de wet aanspraak heeft op salaris.

De BV zal echter niet altijd over de middelen beschikken om gedurende twee jaar lang het salaris door te betalen. Dit speelt met name als de BV voor haar inkomsten grotendeels afhankelijk is van de zieke DGA of bestuurder/aandeelhouder. Voor deze periode van twee jaar loopt zowel de DGA als de bestuurder/aandeelhouder die geen DGA is dus nog steeds een financieel risico.

Uit het voorgaande blijkt dat de gevolgen van het arrest ingrijpend kunnen zijn. Het is op dit moment nog niet bekend of de Regeling zal worden aangepast, zodat de tekst van de Regeling en de bedoeling van de Regeling weer met elkaar overeenkomen. Dit lijkt waarschijnlijk. Binnen de familie zal van een reële gezagsverhouding minder gauw sprake zijn. Als de bestuurder van de familie-BV zelf ook aandelen houdt, staat de reële gezagsverhouding nog meer ter discussie. Dit lijkt mij dan ook bij uitstek een reden om deze bestuurder/aandeelhouder als DGA aan te merken voor de sociale zekerheid.

Arbeidsongeschiktheidsverzekering

Om toch in inkomen te kunnen voorzien bij langdurige ziekte of arbeidsongeschiktheid, kan een arbeidsongeschiktheidsverzekering worden afgesloten. De premies voor deze verzekering zijn binnen de voorwaarden aftrekbaar van het inkomen. De uitkering uit de arbeidsongeschiktheidsverzekering is belast.

Leaseauto diefstal door slordigheid medewerker. Wie is aansprakelijk?

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Werknemer niet aansprakelijk voor schade aan leaseauto

 

Een schade aan een leaseauto die aan een werknemer ter beschikking is gesteld, kan ook ontstaan buiten werktijd. De vraag is of deze schade op de werknemer kan worden verhaald, wanneer deze schade is ontstaan door nalatigheid van de werknemer.

Een werkgever stelde een leaseauto ter beschikking aan een werknemer. De leasemaatschappij verzekerde de auto WA/casco. De verzekering kent een uitsluiting voor schade aan de auto door opzet, grove roekeloosheid of onzorgvuldig handelen van de verzekerde. Op zeker moment bezoekt de werknemer de woning van een vriend, waarvan hij een huissleutel heeft. Hij parkeert zijn auto op het eigen terrein van de vriend. Bij het binnengaan van de woning laat hij de sleutel, met daaraan de sleutel van de leaseauto in de openstaande voordeur zitten. Wanneer hij korte tijd later terugkomt bij de voordeur, is de sleutel verdwenen, evenals de leaseauto. De diefstal van de leaseauto wordt geclaimd bij de cascoverzekeraar. Deze beroept zich op de uitsluiting “schade door opzet, grove roekeloosheid of onzorgvuldig handelen” en vergoedt de schade niet.

De leasemaatschappij brengt de schade in rekening bij de werkgever. De werkgever wil de schade verhalen op de werknemer. Als argument wordt aangevoerd dat de schade is ontstaan, omdat de werknemer roekeloos heeft gehandeld en in strijd met de beginselen van een goed huisvader.

De werknemer wil in hoger beroep een beroep doen op de beschermende werking van artikel 7:661, lid 1 BW. Dit artikel bepaalt dat de werknemer die bij de uitoefening van zijn werkzaamheden schade toebrengt aan de werkgever niet jegens die werkgever aansprakelijk is, tenzij de schade een gevolg is van opzet of bewuste roekeloosheid. In beginsel gaat dit niet op, omdat de schade buiten werktijd is ontstaan. De werknemer stelt echter dat als hij geen beroep kan doen op de beschermende werking van dit artikel, het gebruik van de leaseauto voor hem tot onaanvaardbare risico’s leidt. Buiten werktijd draagt hij dan het volledige risico van diefstal. Dit is een omvangrijk risico en voor hem niet verzekerbaar.

Het Gerechtshof is van mening dat het handelen van de werknemer niet als roekeloos kan worden gezien, maar dat er slechts sprake is van onoplettendheid. Bovendien stelt het Hof dat artikel 7:952 BW bepaalt dat een verzekeraar geen schade vergoedt wanneer deze schade door opzet of bewuste roekeloosheid is veroorzaakt. In dit geval is door middel van de verzekeringsovereenkomst afgeweken van dit artikel, door de bepaling op te nemen dat de schade ook niet wordt vergoed, wanneer die is veroorzaakt door onzorgvuldig handelen. Het Hof wijst erop dat de werknemer geen invloed heeft gehad op de inhoud van de verzekeringsovereenkomst en zich niet heeft gerealiseerd dat hij door deze afspraak tussen de werkgever, de leasemaatschappij en de verzekeraar niet verzekerd zou zijn voor schade door zijn nalatigheid of onvoorzichtigheid. De werknemer heeft zich dus niet kunnen verzekeren tegen het risico van diefstal van de leaseauto door zijn nalatigheid of onachtzaamheid buiten werktijd. Daar komt bij dat de werknemer bij gebruik van zijn eigen auto zich wel tegen dit risico had kunnen verzekeren.  Het Hof acht een zodanig verband aanwezig tussen de diefstal van de leaseauto en de arbeidsovereenkomst, dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn als de werknemer zich niet op de beschermende werking van artikel 7:661, lid 1 BW zou kunnen beroepen.

Dus

Deze uitspraak betekent dat een werkgever een werknemer alleen voor schade aan een leaseauto kan aanspreken als die het gevolg is van opzet of bewuste roekeloosheid.

Afhankelijk van wat er in de polisvoorwaarden is geregeld volgt er wel of niet een schade uitkering. Is in de polisvoorwaarden hierin afgeweken van artikel 7:952 BW en wordt een lagere schuldgradatie gehanteerd, dan zal de verzekeraar de schade mogelijk niet vergoeden.

 

 

 

 

Provisieverbod. Wat levert het nou op?

03-04-2013

Provisieverbod

Drie maanden na de invoering van het provisieverbod  op complexe verzekeringsproducten, blijkt dat 78 procent van Nederland niet bekend is met dit provisieverbod. Daarnaast ziet bijna de helft van de Nederlanders het nut van het verbod niet in. Hoewel de invoering van het provisieverbod in de media aandacht heeft gehad, is het verbod op deze provisies onder veel (78%) Nederlanders nog onbekend. De groep van 22 procent welke al wel op de hoogte was van het provisieverbod, zag er vaak het nut niet van in. Uit onderzoek van Verzekeringen.com blijkt verder dat veel Nederlanders een provisie op bijvoorbeeld een autoverzekering of zorgverzekering geen probleem vinden. Wel wenst bijna 90% van alle ondervraagden dat provisies, in welke vorm dan ook, duidelijk worden gecommuniceerd.

Van alle ondervraagden heeft slechts een paar procent het provisieverbod in de praktijk ervaren, voornamelijk bij de afsluiting van een hypotheek en aankoop van pensioen en lijfrente. De meningen over het verbod zijn erg verdeeld. Een meerderheid geeft er de voorkeur aan om bijvoorbeeld hypotheekadvies niet separaat te betalen, maar middels een provisie bij afsluiten.

Ook de meningen van ondervraagden welke nog niet met het provisieverbod in aanraking zijn gekomen, zijn verdeeld. Voor hen is het nut van het verbod niet duidelijk en men is bang uiteindelijk meer te betalen.

Het provisieverbod geldt alleen voor complexe verzekeringsproducten . Een financieel product is complex en impactvol als het bestaat uit een combinatie van soorten producten: sparen, beleggen, lenen en verzekeren. Daarbij geldt dat de waarde van een van deze producten afhankelijk is van ontwikkelingen op financiële markten. Bijvoorbeeld: levensverzekeringen, pensioen ,hypothecair krediet,  en arbeidsongeschiktheidsverzekeringen,

Het verbod is vanaf januari 2013 van kracht en laat consumenten naast de koopsom of premie extra advieskosten betalen als vergoeding in plaats van een provisie. De maatregel is ingevoerd om adviseurs en bemiddelaars het belang van de klant voorop te laten zetten. De hoogste tijd voor een extra toelichting.

 

De veranderingen per 1 januari 2013

Iedereen schaft in zijn leven financiële producten aan. . Er zijn heel veel financiële producten. Soms zijn deze producten eenvoudig. Maar soms ook ingewikkeld. U heeft de keuze om deze producten te kopen met of zonder advies.

 

-Wel of geen advies?

Of u wel of geen advies wilt hebben bij de aanschaf van een financieel product, bepaalt u natuurlijk helemaal zelf. Feitelijk zijn er twee hoofdkeuzen:

1. Geen Advies.

U heeft zich goed georiënteerd en weet precies welk financieel product u wilt hebben. U schaft dit product daarom zelf aan bij een verzekeringsmaatschappij of bemiddelaar zonder dat u hierbij advies vraagt. Als u zonder advies een ingewikkeld financieel product wilt aanschaffen, wordt dit execution only genoemd. De verzekeraar /aanbieder dient u vooraf te informeren welke kosten hieraan zijn verbonden. Deze kosten worden distributiekosten genoemd en zijn apart van de premie vermeld. De verzekeraar/aanbieder waar u dit product wilt aanschaffen, moet dan toetsen of u als consument over voldoende kennis en ervaring beschikt om op verantwoorde wijze tot aanschaf over te gaan. Bent u zich bewust van de risico’s die samenhangen met execution only of het product? En kunt u deze risico’s vertalen naar uw eigen financiële situatie? In de praktijk betekent dit dat u een aantal vragen moet beantwoorden, voordat u tot aanschaf van deze ingewikkelde financiële producten kunt overgaan. Als de toets niet positief is, wordt u gewaarschuwd dat het raadzaam is om advies in te winnen,

2. Wel Advies

Het kan zijn dat u niet precies weet welk financieel product goed aansluit bij uw situatie op dat moment. U kunt dan ook besluiten om advies te vragen bij een onafhankelijk adviseur of een verzekeringsmaatschappij. Wat voor u een verstandige keuze is, hangt helemaal af van uw persoonlijke situatie. Wat voor financieel product wilt u aanschaffen? Een ingewikkeld product of een heel eenvoudig product? Bent u goed bekend met de eigenschappen en risico’s van financiële producten of is dit voor u een onbekend terrein? Vindt u het prima om alles zelf te regelen? Of vindt u het juist prettig wanneer iemand anders voor u alles verzorgt en controleert? Allemaal omstandigheden die uiteindelijk voor u van belang zijn om de juiste keuze te maken om een financieel product met of zonder advies aan te schaffen.

Wel of geen advies? Dat hangt helemaal af van uw persoonlijke situatie en voorkeuren. Maak dus een bewuste keuze.

-Vanaf nu weet u wat het advies u kost

Financieel advies was nooit gratis. Waarschijnlijk heeft u in het verleden wel eens een financieel product aangeschaft. Mogelijk heeft u daarbij ook advies ingewonnen. De kosten van dit advies waren onderdeel van de prijs van het financiële product. Bij een verzekering betaalde u een premie die bestemd was voor de verzekeringsmaatschappij, maar daarnaast ook een bedrag dat bestemd was voor uw adviseur. De kosten van uw adviseur, ook wel provisie genoemd, maakten deel uit van de premie. Voor u als consument was echter niet altijd voldoende helder welk deel van de premie bestemd was voor de verzekeraar en welk deel voor uw adviseur.  Provisie is vanaf 1 januari 2013 voor complexe en impactvolle financiële producten verboden. Hierdoor wordt duidelijker wat de kosten zijn van het financiële product. En wat de kosten zijn van uw adviseur.

 U betaalt nu rechtstreeks de kosten van uw adviseur

Met ingang van 1 januari 2013 betaalt u de kosten voor advies rechtstreeks aan uw adviseur. Deze kosten mogen voor veel financiële producten niet langer onderdeel zijn van de prijs van dit financiële product. U moet vanaf dat moment deze kosten apart betalen aan uw adviseur.

Uw adviseur informeert en adviseert u over het product dat bij u past. De adviseur kan ook meer voor u doen. Zoals advies geven bij aanpassingen die nodig zijn, omdat uw persoonlijke situatie verandert. Of u helpen wanneer de verzekering tot uitkering komt. De adviseur is ervoor om uw belangen te behartigen. Vanaf 1 januari 2013 maakt u over de kosten van het advies dus zelf afspraken met uw adviseur. De verzekeringsmaatschappij speelt hierbij niet langer een rol. De betaling van het advies loopt daarmee ook niet langer meer via de prijs van het financiële product.

Deze verandering biedt u de zekerheid dat het advies van uw adviseur niet langer kan worden beïnvloed door de hoogte van de provisie van de verzekeringsmaatschappij of bank. De prijs van het advies is een zaak tussen u en uw adviseur

– U weet nu precies waarvoor u betaalt

Een andere belangrijke verandering is dat u vanaf 1 januari 2013 ook precies weet welke werkzaamheden uw adviseur voor u verricht.

Er zijn in Nederland heel veel verzekeringsmaatschappijen. Uw adviseur baseert zijn advies op wat er in de financiële markt wordt aangeboden. Maar u snapt dat het voor u verschil maakt of deze adviseur maar één of enkele aanbieders van financiële producten vergelijkt of juist een groot deel van de markt. Voor de advisering van alle financiële producten geldt dat de adviseur u in het eerste contact moet informeren hoe hij tot zijn adviezen komt: een vergelijking van heel veel aanbieders, een beperkt aantal of maar één.

Maar ook moet de adviseur helder maken welke andere werkzaamheden hij voor u verricht. Blijven de werkzaamheden beperkt tot alleen een advies? Of verzorgt de adviseur ook de contacten met de verzekeringsmaatschappij? Daarnaast ontvangt u informatie over hoe lang, nadat u het financieel product heeft aangeschaft, u deze adviseur nog vragen kunt stellen over dit product. En of hier dan wel of geen extra kosten aan zijn verbonden. Uiteraard zal uw adviseur u ook informeren over de manier waarop u de kosten voor het advies kunt betalen. U kunt het bedrag in één keer betalen of op een andere manier, bijvoorbeeld met een abonnement. Het kan zijn dat de adviseur het mogelijk maakt om de advieskosten gespreid te betalen. Volgens de wet mag deze periode van gespreide betaling maximaal 24 maanden bedragen.

 

Hoe zit het met financiële producten die ik vóór 1 januari 2013 heb afgesloten?

Het provisieverbod geldt alleen voor producten die u vanaf 1 januari 2013 aanschaft of waarover u zich laat adviseren. Er verandert dus niets voor bestaande complexe financiële producten. Als u bijvoorbeeld in 2009 een hypotheek heeft afgesloten op basis van provisie, dan blijft de financieel adviseur ook na inwerkingtreding van het provisieverbod zijn doorlopende provisie ontvangen. Dit wordt de eerbiedigende werking genoemd.Let op: als uw persoonlijke situatie verandert, bijvoorbeeld als u gaat verhuizen of gaat trouwen, kan dat mogelijk wél gevolgen hebben voor bestaande producten. Vraag in dat geval bij uw financieel adviseur wat het betekent voor het advies dat u vóór 1 januari 2013 heeft gekregen.

 

Wat betekent het provisieverbod voor mijn schadeverzekeringen?

Voor eenvoudige of niet complexe producten zoals een auto, reisof aansprakelijkheidsverzekering, verandert er niets. Op dit soort verzekeringen mag een financieel adviseur de kosten van zijn werkzaamheden in de vorm van provisie blijven ontvangen. Deze kosten kunnen dan deel uitmaken van de premie. U en de adviseur mogen ook afspreken dat u de kosten van de adviseur apart betaalt. U en uw adviseur hebben bij schadeverzekeringen dus zelf de keuze op welke wijze u de kosten van advies en begeleiding wilt betalen. Bij schadeverzekeringen is uw adviseur wel verplicht te vertellen hoeveel provisie hij voor deze producten ontvangt als u daarnaar vraagt.

 

Nuttige adressen

De gezamenlijke verzekeringsmaatschappijen in Nederland hebben daarnaast  een website gemaakt vol met praktische informatie: www.allesoververzekeren.nl/themas/provisieverbod. Op deze site vindt u meer informatie over het provisieverbod en algemene informatie over verzekeringen.

Onafhankelijk toezicht

De overheid heeft de Autoriteit Financiële Markten (AFM) aangewezen om toezicht te houden op (het gedrag van) verzekeraars en financiële adviseurs. De AFM heeft op haar website een aantal veelgestelde vragen en antwoorden opgenomen over het provisieverbod: http://www.afm.nl/nl/consumenten/aanpak/faq/beloning-adviseur.aspx. Meer informatie over de rol van de AFM vindt u op: www.afm.nl/nl/consumenten/vertrouwen/financieeladvies.

 

Wijzer in geldzaken

Wijzer in geldzaken vertegenwoordigt ruim veertig organisaties die hun krachten bundelen om de consument ‘wijzer in geldzaken’ te maken. Wijzer in geldzaken heeft een speciale checklist financieel advies opgesteld (zie www.wijzeringeldzaken.nl/handigehulpmiddelen/checklistfinancieeladvies.aspx), die nuttige tips geeft waarop u kunt letten. Of: www.allesoververzekeren.nl/themas/provisieverbod

 

 

 

 

 

Overlijdensrisicoverzekering kan tot wel 77% goedkoper

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Overlijdensverzekering kan tot wel 77% goedkoper

 

De afgelopen jaren zijn de premies voor overlijdensrisicoverzekeringen (ORV) enorm gedaald. Het kan zijn dat dezelfde verzekering maar liefst 77 procent goedkoper is dan vijf jaar geleden. Ook Tros Radar heeft recentelijk aandacht aan dit onderwerp besteedt,  zie: http://www.trosradar.nl/uitzending/laatste-uitzending/aflevering/04-03-2013/goedkopere-orv/?p=1

Het kan over de gehele looptijd duizenden euro’s schelen om over te stappen naar een goedkopere verzekering.

Je moet dan wel een losse ORV hebben. Soms zit een ORV versleuteld in een spaar- of beleggingspolis. Overstappen wordt dan een stuk ingewikkelder. Je moet dan een einde maken aan je spaar- of beleggingspolis en voor een ander product kiezen.

Bij je verzekeraar  bank  of adviseur kun je navragen of je een losse of een versleutelde ORV hebt.  Zit je ORV in een spaar-of beleggingspolis dan betaal je vaak een inleg per maand waar vervolgens de premie voor de ORV van wordt ingehouden.

Wat is een overlijdensrisicoverzekering?

Een overlijdensrisicoverzekering is een verzekering die een bedrag uitkeert als je overlijdt. Dit bedrag kunnen je nabestaanden gebruiken om het verlies aan inkomsten te compenseren of een compagnonsverzekering voor een zakenpartner.

Het kan ook zijn dat een bank de overlijdensrisicoverzekering verplicht heeft gesteld bij het afsluiten van de hypotheek. De verzekering is dan verpand. De bank wil dan alleen de hypotheek verstrekken als er een overlijdensrisicoverzekering is afgesloten. De bank doet dat als de hypotheekschuld hoger is dan de executiewaarde van de woning. De executiewaarde is het bedrag dat de woning op zal leveren als het op de veiling wordt verkocht.

Als een hypotheek bijvoorbeeld 250.000 euro is en de executiewaarde van de woning is 190.000 euro, dan kan de bank als voorwaarde stellen dat je een overlijdensrisicoverzekering afsluit van 60.000 euro. Deze verzekering is dan verpand aan de bank. Dat betekent dat als je overlijdt de bank het geld krijgt uitgekeerd. Als de verzekering meer uitkeert dan de bank nodig heeft wordt de rest aan de nabestaanden overgemaakt.

Wil je overstappen?

Als je wilt overstappen, moet je dus even controleren of de ORV verpand is aan de bank. Indien dat het geval is, moet je aan de bank vragen welke eisen er aan de ORV worden gesteld.

Let op dat je nooit je oude ORV stopzet, voordat je een nieuwe af hebt gesloten.

Welke dekking moet je nemen?

Het is van belang vast te stellen of je een OVR nodig hebt. Dus ga eerst je persoonlijke (evt bedrijfsmatige) financiële  situatie inventariseren en analyseren. Kijk hierbij ook naar je  lopende levensverzekeringen , voorzieningen en eventuele aanspraken op Nabestaandenpensioen.  Daarnaast is  het belangrijk dat je weet welke dekking je voor je ORV moet afsluiten. Dat kan een gelijkblijvende dekking zijn, een lineair dalende dekking of een annuïtair dalende dekking.

Bij een gelijkblijvende dekking is de uitkering de gehele looptijd gelijk. Bij een lineair dalende dekking neemt de uitkering elke maand af met hetzelfde percentage. Bij een annuïtair dalende dekking is de uitkering in het begin hoog en aan het einde van de looptijd laag.

Ook is het belangrijk dat je weet of je een dekking op een of op twee levens af wilt sluiten. Vervolgens kun je nog kiezen of je de premie wilt splitsen of niet.

Als je deze keuzes moeilijk zelf kan maken, vraag dan advies aan je adviseur.

Bij Hakze Vezekeringen kunt u ook terecht voor advies en bemiddeling van een overlijdensrisicoverzekering.

Wanneer u hiervoor contact met ons opneemt profiteert u dus van een lagere premie , maar ook van een tijdelijke actie. Wanneer u tussen 11 maart 2013 en  3 mei  2013 een overlijdensrisicoverzekering bij on s afsluit ontvangt u eenmalig een bedrag van € 75-,

 

 

 

 

Niet of te laat betalen autoverzekering heeft grote gevolgen

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Niet of te laat betalen autoverzekering heeft grote gevolgen

Steeds meer autobezitters betalen de premie voor hun autoverzekering niet, constateert financiële vergelijkingssite Geld.nl. Consumenten onderschatten de gevolgen van het niet betalen van de premie. Ze hebben vaak niet door dat dit ertoe kan leiden dat ze niet meer verzekerd zijn en daardoor boetes krijgen van het RDW.

Zie ook: http://www.rdw.nl/nl/particulier/auto/verplichtingenbijgebruik/Pages/Voertuiggebondenverplichtingen.aspx

 

Boete autoverzekering niet betalen

Als een automobilist de premie voor zijn autoverzekering niet betaalt, kan de verzekeraar bij een betalingsachterstand van 30 dagen de dekking van de verzekering schorsen. Dit betekent dat je niet langer verzekerd bent. Omdat iedere automobilist in Nederland verplicht is minimaal de wettelijke aansprakelijkheid te verzekeren (WA-verzekering), krijg je als je door wanbetaling onverzekerd raakt een boete. Het RDW controleert actief of alle geregistreerde auto’s ook zijn verzekerd. Dit doet zij sinds januari van dit jaar extra actief. Blijkt dat je auto langer dan 2 dagen niet verzekerd is, dan krijg je direct een boete van 380 euro. Deze kan het RDW drie keer per jaar opleggen, waardoor de boete kan oplopen tot 1.140 euro.

Veel automobilisten realiseren zich niet dat ze een boete kunnen krijgen als ze de premie autoverzekering niet betalen. Ze denken nog onder de boete van het RDW uit te kunnen door met een bewijs van de verzekeraar aan te tonen dat ze wel verzekerd waren.  Als de dekking is geschorst, zal de verzekeraar dit bewijs echter niet verstrekken. Je zult de boete dan dus gewoon moeten betalen. Ook als je later alsnog de premie betaalt, blijft de boete staan.

 

Niet verzekerd is geen dekking

Behalve dat je een boete krijgt van het RDW, ben je vanaf het moment van schorsing niet meer verzekerd. Dit betekent dat je geen dekking hebt en dat je dus ook met je auto de weg niet op mag. Veel mensen staan hier niet bij stil en blijven gewoon doorrijden. Buiten dat het verboden is om onverzekerd rond te rijden, krijg je bij schade ook niets vergoed van je verzekeraar. Je zal dus persoonlijk aansprakelijk gesteld worden voor de kosten van de schade. Die kosten kunnen bijvoorbeeld bij letselschade aan een tegenpartij flink oplopen.

 

Royement bij autoverzekering niet betalen

Loopt de betalingsachterstand nog verder op na de schorsing, kan de verzekeraar zelfs overgaan tot het royeren. Dit betekent dat de automobilist definitief uit de verzekering wordt gezet en een melding krijgt in de landelijke database. Dit maakt het moeilijker om geaccepteerd te worden bij een eventuele nieuwe verzekeraar.

 

Stijgende lijn wanbetalingen

Verzekeraars herkennen dat er steeds vaker sprake is van wanbetaling bij de autoverzekering.  Er worden  meer aanmaningen verstuurd en verzekeraars worden de laatste tijd ook vaker benaderd door schuldhulpinstanties over betalingsproblemen van klanten.

 

Voorkomen beter dan genezen

Aan je autoverzekering niet betalen zitten dus eigenlijk alleen maar nadelen. Voorkomen is daarom altijd beter dan genezen. Autoverzekeringen worden vrijwel altijd per automatisch incasso geïnd. Lukt de incasso niet, dan krijg je van je verzekeraar (sommige verzekeraars zijn hier minder strikt in) een herinnering. Je hebt dan veertien dagen de tijd om de premie alsnog te betalen. Pas daarna gaat de verzekeraar over tot schorsing en krijg je een boete. Je kunt dus al veel ellende voorkomen door als je de herinnering ontvangt binnen veertien dagen de premie zelf te betalen.

Unieke verzekeringsoplossing voor het ondernemersrisico van bedrijven werkzaam in de ICT

Het ondernemersrisico in de ICT-sector.

Schade die klanten van automatiseringsbedrijven lijden door toedoen van fouten van hun dienstverlener kan verzekerd worden. Maar hoe zit het met de eigen schade van een
ICT-onderneming? Is dat ook op een aansprakelijkheidsverzekering mee te verzekeren?

Als een ICT-onderneming haar verplichtingen niet (naar behoren) nakomt, dan kan deze voor de ontstane schade aansprakelijk worden gehouden door haar opdrachtgever. De schade, die onder andere kan bestaan uit verlies van omzet, de kosten van een externe adviseur of de kosten voor extra inzet van eigen personeel, is verzekerd onder de beroepsaansprakelijkheidsverzekering van het ICT-bedrijf.

Vaak lijdt de ICT-ondernemer zelf ook schade als de gedupeerde opdrachtgever terugbetaling eist van het bedrag dat voor de dienstverlening betaald is. Zeker als het om grote automatiseringsprojecten gaat, kan dit aanzienlijke gevolgen hebben voor een ICT-onderneming.

Deze zogenaamde eigen schade is bijna altijd uitgesloten op een (beroeps)aansprakelijkheidsverzekering. Verzekeraars vinden dit een “ondernemersrisico”.

De verzekeraar Chubb biedt als enige verzekeraar in Nederland onder de beroepsaansprakelijkheidsverzekering voor ICT-bedrijven wél dekking voor eigen schade van een verzekerde.Terugbetaling van door verzekerde ontvangen fees en kosten zijn hiermee verzekerbaar geworden. Daarnaast verzekert Chubb ook de eigen schade van de
ICT-onderneming als:

1. Een opdrachtgever een factuur weigert te betalen wegens een vermeende wanprestatie. Chubb betaalt hiervoor dan een vergoeding om zo een aansprakelijkheidsclaim
te voorkomen.

2. Er sprake is van verlies of onrechtmatig gebruik van persoonsgegevens. ICT-ondernemingen moeten dit melden aan de autoriteiten en/of de personen wiens gegevens dit betreft. Chubb vergoedt in dat geval:
o de kosten van het melden
o de public relations kosten
o de kosten om de oorzaak en omvang van het verlies vast te stellen
o de kosten voor de kredietbewakingsdiensten van de creditcardmaatschappij

Wilt u meer informatie over de beroepsaansprakelijkheidsverzekering voor ICT-bedrijven, neem dan contact op met Hakze Verzekeringen.